In en rond de Tweede Wereldoorlog is veel bezit onder directe of indirecte dwang in bezit van de Duitsers gekomen. Na de oorlog is een deel van dat bezit terug naar Nederland gekomen. Daar weer een deel van is na de oorlog teruggegeven aan de eigenaren of hun erven. Bij veel voorwerpen is dat in eerste instantie niet gebeurd: er waren geen bekende eigenaren meer, er was onvoldoende bewijs voor eigendom, mensen wisten niet waar hun eigendom was of ze konden de kosten, die vaak in rekening werden gebracht, niet betalen. Lange tijd ging Nederland op een afstandelijke en ambtelijke manier om met mensen die een claim indienden. In de loop van de jaren is op een aantal momenten bezit teruggegeven, maar zeker niet alles. Pas in de jaren negentig werd tot een ruimhartiger beleid besloten en is alsnog veel bezit teruggegeven. De collectie Goudstikker is daar een bekend voorbeeld van. De omgang met oorlogskunst is een goed voorbeeld dat laat zien dat opvattingen en handelen in de tijd sterk kunnen veranderen.
Moeten objecten die tijdens oorlogen vervreemd zijn geraakt ten alle tijden teruggegeven worden als erven daarom vragen of zijn er grenzen en/of voorwaarden te stellen? Zouden musea een "right of first refusal" moeten krijgen bij de verwerving van dit stukken met een oorlogsverleden, die vaak al decennia lang deel uitmaken van het openbare kunstbezit?
Geef uw mening via de 'discussieknop' boven de afbeeldingen.