Voorwerpen en collecties winnen aan waarde en betekenis als ze gepresenteerd worden op belangrijke podia, zoals vooraanstaande musea. In sommige gevallen wordt doelbewust nagestreefd dat ze een aantal malen getoond worden, zodat de indruk gaat ontstaan dat het om legitieme zaken gaat. Voor musea is het verleidelijk om met een mooie collectie een mooie tentoonstelling te kunnen maken.
In 1999-2000 toonde het Rijksmuseum van Oudheden een selectie van voorwerpen uit de collectie van het Miho Museum, een particulier museum in Japan. Dit museum bestaat sinds 1997 en herbergt een belangrijke collectie, die behalve uit Japan ook uit Egypte, Griekenland, Italië en het Nabije Oosten afkomstig is. Rond de opening van de tentoonstelling in Leiden bleken er vragen te bestaan over de herkomst van bepaalde voorwerpen uit de Miho-collectie en het Rijksmuseum van Oudheden werd ervan beschuldigd dat ze illegaliteit legitimeerden. Het Rijksmuseum van Oudheden heeft zich bij de keuze voor deze tentoonstelling destijds laten leiden door de inhoudelijke overweging om een belangrijke, maar relatief onbekende collectie te exposeren. Het museum heeft zich op dat moment niet vergaand verdiept in de verzamelgeschiedenis van de collectie, waarover ook weinig bekend was.
ICOM-code 2007, art. 4.5 Het opstellen van objecten met onbekende herkomst:
Het museum toont geen objecten van dubieuze of onbekende herkomst en gebruikt die evenmin voor andere doeleinden. Het geeft zich er rekenschap van dat dergelijke tentoonstellingen of ander gebruik beschouwd kunnen worden als een goedkeuring van en bijdrage aan de illegale handel in cultureel eigendom.
Als objecten in bruikleen tentoongesteld worden, ligt de verantwoordelijkheid van de herkomst en een eventueel onderzoek ernaar dan bij de bruikleengever of bruikleennemer?
Geef uw mening via de 'discussieknop' boven de afbeeldingen.